Home. Work. Stories. Films. Art. Heaven. Contact.

Hoofdstuk 4 Hemaraja

s Ochtends neem ik weer de minibus naar Bangalore, waar ik ontbijt in een restaurantje vlak bij het busstation. Terug op het busstation vraag ik aan een keurig uitziende jongeman welke bus naar Hindupur gaat. Oh deze halte, zegt hij in perfect Engels. Het is duidelijk dat dit Bangalore is, met moderne beschaafde mensen die ik om een boodschap kan sturen. Mooi, dan neem ik van Hindupur een lokale bus naar Madakasira. Hij knikt. Zelf neem ik deze bus ook, zegt hij. Mooi, zeg ik weer en leg mijn lot in zijn handen. Hij kan me de weg wijzen en er is weer iemand met wie ik kan praten onderweg. Maar dat valt tegen. Zodra de bus aan komt rijden, sprint hij samen met een groepje andere jongeren de weg op en werpt zich in de nog rijdende bus. Ik wring me samen met ouderen en gehandicapten in het voertuig. Gelukkig, ik kan zelfs nog zitten. Eenmaal gezeten vraag ik voor de zekerheid nogmaals of dit de bus naar Hindupur is. No sir, this bus, wijst de conducteur op de bus naast ons. Ik pak mijn tassen en dring me weer naar buiten.

Nadat ik in de tweede bus heb plaatsgenomen, pak ik de papieren van Foster Parents en begin alvast wat te lezen. Bij toeval valt mijn blik op een stukje wat ik tot nu toe over het hoofd heb gezien. "Neem vanaf Bangalore een taxi naar Sira". Ik pak de kaart uit mijn tas en zoek het stadje Sira. Dat blijkt behoorlijk uit de buurt van Hindupur te liggen. Voor de tweede keer verlaat ik de bus, nu op zoek naar de halte voor Sira. Deze blijkt niet naast deze bus te zijn, maar aan de andere kant van het busstation. Omdat het plein ongeveer een vierkante kilometer beslaat is dit even zoeken. Uiteindelijk vind ik na veel gesjouw, riksja's zijn hier niet toegestaan, halte twee en stap wederom in de gereedstaande bus. Deze bus rijdt gelijk weg. Ik moet nu gelijk goed zitten, want anders heb ik een probleem.

Tijdens de bloedstollende rit met veel vervaarlijke inhaalmanouvres zegt mijn buurman ter geruststelling dat alle vrachtwagenchauffeurs in India dronken zijn. Als ik ga letten op het gedrag van de chauffeurs op deze lange rechte weg, kan hij het wel eens bij het rechte eind hebben.

Om één uur 's middags bereik ik Sira. Het is een klein rustig stadje met in het centrum een geitenmarkt. Boven het busstation zijn hotelkamers. Ik neem een riksja naar het afgelegen kantoortje van Fosters Parents Plan, waar ik uiterst hoffelijk wordt ontvangen door een oudere Indiase man, een jonge vrouw en wat personeel. Achter zijn bureau gezeten overhandigt de Indiase man mij plechtig de welkomsenveloppe voor mr./mrs. Willemse. Wij zijn erg blij dat u gekomen bent en we hopen dat u een geslaagd bezoek mag hebben, zegt hij plechtig. Ik werp een blik op de enveloppe en dan op hem. Maar ik ben helemaal geen mr. Willemse, zeg ik wat verward. Stomverbaasd kijkt de oude man mij aan. Maar wie bent u dan wel? Lafeber, mr. Lafeber from the Netherlands. Dat weet ik ten minste zeker. Ah, mijnheer Lafeber, zegt de man, we zoeken uw enveloppe even op. Een momentje. Hij verdwijnt naar een andere kamer. - Gelukkig het is opgelost, denk ik. Maar zo eenvoudig is het niet. Als hij terugkomt kijkt hij bedenkelijk. Ziet u mijnheer Lafeber, begint hij omzichtig, we hebben een klein probleem. Hemaraja woont in een nogal onrustig gebied. Er zijn wat conflicten geweest tussen medewerkers en lokale leiders. We hebben dit aan Amsterdam doorgegeven, maar toen was u al weg. En ik was niet te bereiken, vul ik aan. Verdraaid, ik kan het bezoek wel op mijn buik schrijven. We zullen vanmiddag nog overleggen met de mensen in het veld, zegt de oude man toe, misschien is er toch nog een mogelijkheid.

Ik word naar het gasthuis gebracht. Het ziet er netjes en schoon uit. De oude Indiër is nog steeds bij me en nodigt me uit voor lunch. We gaan samen aan tafel zitten. Binnen een kwartier is de maaltijd opgediend. Eerst krijg ik maggi vermicelli. Ik eet het beleefd op. Daarna kan ik gelukkig met hem meeeten. De maaltijd bestaat uit pittige rijst, saus, yoghurt, kool en aardappelen. Na afloop krijgen we een soort soep voor de spijsvertering.

Tijdens het eten gaat het gesprek vooral over ontwikkelingshulp. Mijn tafelgenoot is irrigatie-expert en heeft altijd voor de overheid in Bangalore gewerkt. Hij had daar veel contacten met de Wereldbank. Nu is hij gepensioneerd en werkt als vrijwilliger. Daar hij 40 jaar ontwikkelingservaring heeft kan hij hier heel boeiend over vertellen. Er is veel gebeurd in die 40 jaar, zegt hij. Vindt u dat werkelijk? Ik kijk hem vragend aan. Oh ja, zegt hij overtuigd. Het aandeel land dat irrigatie heeft is gestegen van 18% naar 35%, het hele land is nu per weg te bereiken, de landbouw is veel produktiever geworden, electrificatie is op grote schaal ingevoerd. Hij is niet meer te stoppen. Merkt u er ook zelf wat van, is het leven gemakkelijker geworden? Ja, ja, gaat hij door, de reis naar Bombay, die vroeger 54 uur duurde, kan nu in een airconditioned trein in 30 uur worden afgelegd, zodat je fris en uitgerust aankomt. Van dat laatste ben ik niet zo overtuigd, maar alles is relatief.

Na de lunch vertrekt de irrigatieman en ik pak mijn spullen uit. Een uur later komen twee medewerkers binnen. Op zenuwachtige toon en met veel door elkaar praten leggen ze uit dat het helaas niet mogelijk is om de familie te bezoeken. Slechts in een jeep met politieagenten is het mogelijk om de bewuste dorpen te passeren, vertellen de beide mannen. Nee, dat wil ik niet, zeg ik, ik ga hier niet de boel op stelten zetten. Kunt u geen week hier blijven, vraagt de ene man. Dan is het misschien wat rustiger, zegt de andere man. Nee, lieg ik, ik moet naar het zuiden om mijn vliegtuig te halen. Natuurlijk kan ik wel een week blijven, maar wat moet ik hier in hemelsnaam doen. Belt u dan in ieder geval over een week. Dat is goed, maar kan ik nu wel mijn cadeautjes voor Hemaraja achter laten? Dat kan en ik pak de voetbal, het speelgoed, een boek over Nederland en wat snuisterijen. Mijn rugzak is gelijk een stuk leger, maar ik voel me teleurgesteld. Ik had graag de familie ontmoet met wie ik al twee jaar correspondeer.

Met de jeep word ik naar het busstation gebracht en uitgezwaaid. De bus is vol en de bankjes hard. We zitten met zijn drieën op een rij gepropt. Drie uur in een dergelijke positie is geen pretje. Bovendien heb ik een kater door het niet doorgaan van het bezoek. Ik heb zo'n idee dat ik hier ook niet meer terugkom. Ik zal nog wel bellen, maar het zal niet meevallen om ergens nog een vliegretourtje Bangalore te versieren.

In Bangalore stap ik op de mij inmiddels bekende luxe bus naar Mysore, waar ik ruim twee uur later in hotel Indiana aankom. De busreis heeft in totaal 11 uur geduurd. Bekaf val ik in slaap.


Naar Hoofdstuk 5