Home. Work. Stories. Films. Art. Heaven. Contact.

Hoofdstuk 5 Op safari in Madumulai

s Ochtends word ik om 7 uur wakker. Ik wil gaan ontbijten, maar vanwege een nationale feestdag kan dit pas na 10 uur. Een ander hotel biedt uitkomst. Ik ga niet weg zonder ontbijt.

Bij het uitchecken kom ik weer zo'n gestoorde oude Engelsman tegen. Hij gaat morgen terug naar zijn land, geveld door een virus, diaree en nog een andere ziekte. Hij blijkt een hele week doodziek op een dun matrasje in een Ashram van een Goeroe met de naam Sai Baba te hebben gelegen. Die naam zegt me nog niets. Duidelijk niet onder de indruk van de genezende capaciteiten van Baba is hij uiteindelijk teleurgesteld afgedropen toen hij weer op zijn benen kon staan. Zijn humeur had er echter niet onder geleden, want als ik zeg dat ik alleen en per bus reis, krijg ik een paar dreunen op mijn schouder. Very brave, excellent, buldert hij. Ik begrijp steeds beter waarom Engelsen het zoveel beter afbrengen in den vreemde dan een gemiddelde timide Nederlander, zoals ik. I will go now to Bandipur for safari, zeg ik trots. Jolly good, Jolly good, shame I have to leave. En hij wankelt terug naar zijn kamer.

Op het busstation moet ik anderhalf uur wachten op de bus naar Ooty, mijn volgende bestemming. Ik ben van plan om in Bandipur uit te stappen, een belangrijk wildreservaat in India. De Indiër naast me vertelt dat deze bus niet in Bandipur zal stoppen, maar inmiddels wijs geworden stap ik gewoon in en vraag het nogmaals aan de conducteur. Ja hoor, we stoppen in Bandipur, is het antwoord. Ik ga voorin naast een nog jonge man zitten. Voorin is geen prettige plek, omdat de motor van Indiase bussen praktisch in de bus is gebouwd en nog niet aan strenge geluidsnormen hoeft te voldoen. Ik schreeuw dus even met mijn buurman en hieruit blijkt dat hij een roomskatholieke priester uit Cochin is. Na enige tijd valt de pater in slaap op mijn schouder. Ik laat het maar toe. Slapende katholieken moet je nooit wakker maken.

In Bandipur word ik voor de receptie van het wildpark afgezet en de bus rijdt weg. Voor de receptie staan twee Engelsen en twee Italianen te wachten. Ik vraag of er nog een bungalow vrij is, maar helaas, deze bluf werkt niet. Het is namelijk de gewoonte om dit al in Mysore te boeken. Ik word doorverwezen naar een dorp 13 kilometer verderop. Hier heeft omkopen geen zin, merk ik al. Het zit echt vol.

Geen getreur, het is heerlijk weer en ik zit op een bankje wat nootjes te pellen met een hele schare apen om me heen. Het is wel zaak uit te kijken dat ze er niet met mijn spullen vandoor gaan. Hard optreden is het enige middel. Apen zijn net verwende kinderen. De bus is er binnen een half uur en dropt me keurig in het volgende dorp. Onderweg is al een kudde wilde olifanten te bewonderen in het woud.

Madumulai heet het dorpje waar ik wederom mijn kansen probeer. Hier blijkt de government lodge ook vol te zijn, maar er is plaats in het 'youth hostel' voor 25 rupies per nacht. Ik bedenk me even, zie een kamer met vijf duistere Indiërs voor me en besluit om de hele kamer te nemen voor 150 rupies. Ik maak gelijk een afspraak met de chauffeur van de jeep dat hij me om negen uur 's avonds voor een nachtrit komt ophalen. Als je dingen op de bonnefooi doet moet je slagvaardig zijn. Zoveel jeeps zijn er niet in dit dorpje.

Het park is tussen 4.00 uur en 6.30 uur en tussen 16.00 uur en 18.30 uur geopend. Het is twee uur 's middags en ik loop wat rond. Madumulai is niet meer dan een klein dorpje, dat bestaat uit de vreemde combinatie van receptie, kantine, jeugdherberg, een paar cottages en een wat apart liggend dorpje met een of andere primitieve stam. Er loopt een rivier dwars door het dorpje, de Moyar, waar de lokale bevolking uit drinkt, zich in wast en de vaat in doet. Dit alles is niet ongevaarlijk, gezien de krokodillen die zich in deze rivier bevinden. Er hangen dan ook bordjes met de onvergetelijke tekst "fishing, bathing and washing clothes in the crocodile infested river is prohibited. Survivor will be prosecuted". De inboorlingen hebben echter geen boodschap aan deze indringende oproep en ik betwijfel of ze het zelfs maar kunnen lezen.

Het is verboden om alleen in het bos te wandelen. Een Duitse toerist is onlangs gedood door een olifant toen hij zo onverstandig was om zijn hond om vier uur 's ochtends uit te laten, de gevaarlijkste tijd van de dag. Naast olifanten leven er onder andere bisons, herten, slangen, apen, tijgers, panters en wilde katten in het woud.

Toch loop ik met een licht schuldgevoel rond in deze adembenemende wildernis. Ik weet dat de wilde dieren in de reservaten in India door het toerisme worden bedreigd. Aan de andere kant zorgt het toerisme ervoor dat de parken kunnen blijven bestaan en er toezicht is. Gelukkig zijn er veel beperkingen en lijken de regels redelijk strikt te worden toegepast. De aanstekelijkheid van het oerwoud is groter dan mijn morele bezwaren. Ik sta dus om vier uur te trappelen om op de rug van een olifant de wilde beesten te schieten met mijn primitieve IKEA fotocamera. Ik heb het geluk dat een Indiaas koppel zo vriendelijk is om een plaatsje op hun olifant aan mij te gunnen, want ook dit werkt met reserveringen. We krijgen eerst een bezichtiging van het lokale museum te verwerken, maar hier is behalve een opgezette tijger niets van belang uitgestald. Dan moeten we in een bak gaan zitten op de rug van een grote oude olifant.

Het olifantenritje in de jungle verschilt verrassend weinig van de bussen waarin ik de afgelopen dagen zo vaak heb gezeten. Het schudt hevig, tegenliggers en bomen worden rakelings ontweken en er zijn veel uitlaatgassen. Gelukkig heb ik de bus geen halve bomen zien verslinden. Af en toe ritst onze jumbo een grote tak weg, staat stil, eet het ding met veel gekraak op, krijgt een tik, laat een wind en loopt weer verder. Naast de drie passagiers zit er een begeleider tussen zijn oren en een oude man met een tak bij zijn staart. Met zoveel geweld door de jungle gaan heeft inderdaad alleen symbolische waarde. Op wat herten, apen en een papegaai na is er niets te zien. Dan maar vanavond.

Om 19.30 uur heb ik afgesproken in één van de cottages voor het avondeten. Een vriendelijke man heeft voor vijf man gekookt en eet zelf ook mee. Naast het Indiase koppel, die ik ter compensatie van het olifantenritje deelname aan mijn nachtrit heb aangeboden, eten ook twee woudwachters mee. Het eten is eenvoudig, maar smaakt heerlijk. Met mijn ongewassen handen werk ik chapati, rijst, groente, yoghurt en aardappelen met diverse sausjes naar binnen. Op de tast ga ik terug naar mijn kamer, langs een smal paadje in het donkere oerwoud.

Om negen uur word ik opgehaald voor de nachtrit. Gelijk blijkt hoe gevaarlijk mijn voettocht eigenlijk is geweest, want op hetzelfde pad, waarover ik net op de tast terug ben gelopen, komen we de familie everzwijn tegen, pa, ma en twee jonkies. Snel verdwijnen ze tussen de varens. We zitten met zes mensen in de auto: de chauffeur, de gids, de bediener van het licht, het olifantenkoppel en ik. We blijven op de hoofdweg, maar met het zoeklicht kan ver het woud in worden gekeken. Al snel bespeuren we de wilde olifanten, gespikkelde herten (spotted deer), sambaherten en als hoogtepunt een wilde kat die met zijn pootje sleept. De fonkelende ogen van het dier zijn in het donker goed te zien en de kat ziet er ondanks het lamme pootje elegant uit.

Geen van de dieren is bang voor de lichten van de jeep. Als er in het oerwoud wordt geschenen kijken ze nieuwsgierig terug. Slechts een enkele humeurige olifant draait zijn kop van ons af en trekt zich morrend en traag een paar meter terug. Onze jeep is open, omdat de tijgers in dit deel van India niet aggresief zijn. But don't do this in North India, waarschuwt de gids.

We stoppen even bij een huis om de rust te laten wederkeren, voordat we dezelfde weg teruggaan. Er staat een soort uitkijktoren, die we beklimmen. Het wordt al wat kouder en er hangt een gespannen sfeer in het bos. Af en toe klinkt het getrompetter van een olifant of het krijsen van een aap. De vogels zijn al stil en ook het gebrul van de roofdieren laat zich niet horen. De terugweg biedt meer van hetzelfde, olifanten en herten. Het blijft echter spannend om weer wat te ontdekken in de lichtbundel, ofschoon gids en chauffeur er aanmerkelijk meer gevoel voor hebben dan wij.

's Ochtends word ik om 7.45 uur opgehaald door de jeep, waarin vier jongens zitten, waaronder mijn inmiddels vertrouwde gids. Ik ben nu de enige gebruiker van het voertuig, omdat ik hierna gelijk door wil gaan naar Ooty. Daarom nemen we de bagage maar gelijk mee. Het is een klein risico, maar zo te zien zijn deze gasten wel te vertrouwen. Het is tenslotte een klein dorpje waar men elkaar goed kent. Bovendien heb ik afgesproken met de gids dat ik volgend jaar terugkom voor een lange tocht. Dat zal waarschijnlijk wel nooit gebeuren, maar als ik dan toch de kip met de gouden eieren ben, kan ik maar beter beloven wat te leggen. Voor ik het weet ben ik immers geslacht.

We gaan nu eens geen dieren bekijken, maar watervallen, ongeveer 20 kilometer verderop. De weg is zeer slecht, onverhard met veel kuilen en hobbels. Op de top aangekomen worden we beloond met een adembenemend uitzicht. De waterval is imponerend tegen de berghelling geplakt en bestaat uit drie delen. Tussen onze top en de waterval zit een diep dal, maar het is mogelijk om rechts langs de helling naar de overkant te lopen. Ik laat mijn spullen voor wat ze zijn en loop samen met de gids naar beneden. Onopvallend let ik op zijn bewegingen, vooral op plaatsen waar de afgrond gaapt, maar mijn wantrouwen is onterecht. Samen bereiken we het water, dat hier over een vlakke rotsplaat naar de tweede val stroomt. We gaan zitten.

Gezeten aan de rivier hebben we een lange discussie over in het buitenland werken door Indiërs. Als de mannen weggaan belanden vrouw en kinderen vaak in de prostitutie, zegt Raj. Ik ben geschokt. Let hun familie dan niet op ze? Nee, ik ben zelf een mama voor de achterblijvers. Wat is een mama? Hij haalt zijn schouders op. Dat is een makelaar in vrouwen voor toeristen. Ik neem me voor om straks achter hem te lopen en hem in de afgrond te duwen. Maar de manier waarop hij het vertelt maakt dat je toch ook weer met hem te doen hebt. Wat gebeurt er in Holland als je een geslachtsziekte hebt, vraagt hij nieuwsgierig. Dan ga je naar de dokter, zeg ik, en krijg je medicijnen. Als je bij ons een geslachtsziekte hebt en je gaat naar de dokter, zegt hij lachend, vraagt de dokter tussen alle andere patienten hardop wat je hebt gedaan. Daarna krijg je hardhandig een injectie en een uitbrander. Daar kun je het mee doen.

Daarna gaat het gesprek over samenwonen in het westen en de mogelijkheid om met hem een trip te maken in een ander wildreservaat met een jeep. De kosten zijn 300 kilometer voor 3 rupies per kilometer plus 100 rupies voor de bestuurder. Dit komt op minimaal 1000 rupies ofwel 60 gulden per dag voor een privésafari. Vast goedkoper dan Kenya.

Bij de jeep staan nog steeds mijn spullen en wachten de drie andere jongens. Gelukkig. We stoppen even bij een benzinepomp om de oververhitte motor te blussen met water. In een dorpje, tien kilometer voorbij Mudumalai, betaal ik 500 rupies voor de nachtrit en dit ritje en word ik gedropt bij iets wat een bushalte zou moeten zijn. De jeep met de vier mannen rijdt weg. Ik ben niet opgelicht, niet beroofd en zelfs de bushalte blijkt te bestaan. Na tien minuten komt een Japanse mini-bus die van Mysore naar Ooty rijdt. Binnen een uur zijn we in het stadje.


Naar Hoofdstuk 6