Home. Work. Stories. Films. Art. Heaven. Contact.

Hoofdstuk 6 Toy trains and hot busses


Ooty heet eigenlijk Ootacamund en ligt 2268 meter boven de zeespiegel. Het stadje vindt zijn oorsprong in de 19e eeuw als hoofdkwartier voor het Britse stadsbestuur van Madras. De hoogste top bij Ooty en van Tamil Nadu is de Doddabetta (2623 meter). Dichtbij is het drie staten punt waar Tamil Nadu, Karnataka en Kerala samenkomen.

De verhalen over Ooty zijn uitgesproken negatief en ik ben dan ook van plan er zo kort mogelijk te blijven. Toch valt het mee. Het stadje is ingesteld op toeristen, maar is toch lekker rustig en heeft mooie gebouwen. Ik heb honger, want voor de eerste keer deze reis heb ik niet ontbeten en op een paar koekjes na zit er niets in mijn maag. Ik lees in het busje dat Hotel Blue Hills een goede keuken heeft en vraag de minibus driver om me daar af te zetten. Ik laat mijn bagage achter bij de hotelreceptie en bestel vervolgens een groentesoep in het restaurant. Ik kom straks terug voor het hoofdgerecht, zeg ik na de laatste lepel en loop de hoofdstraat weer in.

In het centrum is een zeer kleurrijke en overzichtelijke markt. Er zijn aparte rijen voor vlees, vis, groente enz. Vooral bij het vlees en de vis wemelt het van de vliegen. Elders op de markt staan een paar nagenoeg identieke kramen met ijzeren potten en pannen. Ik loop verder en koop Peabury koffie, die de oude dame in het vliegtuig me had aanbevolen, in een stand met koffie en thee. Het zijn grote groene bonen en ik vraag me af wat ik er thuis mee moet doen.

Na het diner ga ik naar het station. Daar staat de toy-train al klaar. Het speelgoedtreintje bestaat uit een stoomlocomotief met 5-6 kleine wagons, die ieder 7 coup‚s bevatten met blauwe houten banken. Er is geen gang en het is daarom niet mogelijk om door de trein te lopen. De deurtjes van de coup‚s hebben drie open ramen en zijn van binnen lichtgroen en van buiten geel geverfd. In de elektrische lamp zit water. Er zijn lichtgroene bagagerekken in boogvorm.

Over een kwartier vertrekt de trein pas en ik bewonder de oude zwarte stoomlocomotief. De machinist nodigt me uit om binnen te komen en laat me de watermeters, het vuur en de Zwitserse motor uit 1928 zien. Tijdens de rit wordt er soms gestopt om de motor met water af te koelen. Grote stoomwolken en veel gesis zijn het gevolg.

De tocht naar beneden duurt 3,5 uur en is geen moment saai. Het uitzicht bestaat uit kleine stations, de bergwand, het regenwoud, de plantages, kleurrijk in bloei staande bomen en de laaglanden die zich voor ons uitstrekken. Om de zoveel tijd wordt er gestopt bij de vegetarische theestalletjes op het station. Waarom een theewinkel vegetarisch moet zijn ontgaat me, maar ik ben blij dat er geen vlees in mijn thee zit.

In Mettupalayam, een stadje aan de voet van de Nilgiri bergen, stopt het minitreintje. Het is bijna donker en het perron ligt er verlaten bij. Waar is het busstation, vraag ik aan de eerste de beste man die voorbijkomt. Er is geen busstation, is het antwoord en hij loopt door. Waar is het busstation, vraag ik aan de tweede de beste man die voorbijkomt. Er is geen busstation, is het antwoord weer, maar waar wilt u naar toe? Coimbatore. Dan kunt u het beste deze trein nemen, hij vertrekt om 7.30 uur. Dat is pas over een uur en ik praat wat door met de man over de brain-drain die India treft. Bekwame artsen trekken meestal naar de Verenigde Staten. De enige idealistische arts die in een dorpje is gaan werken heb ik waarschijnlijk in Sravanabelagola getroffen. Mijn hoofdwond is tot mijn grote opluchting nog steeds niet ontstoken.

Als de oude, kaal ingerichte trein gaat rijden komt er een buitengewoon interessante man bij me zitten. Hij woont in een stadje halverwege Ooty en Mettupalayam en is opgevoed door Ierse monniken. Daardoor spreekt hij vloeiend Engels. Hij is 46 jaar, getrouwd en heeft een zoon van 12 jaar oud. Zijn ouders zijn uit Sind gevlucht tijdens de opdeling van India en Pakistan in 1947- 1948. Deze immense volksverhuizing, waarbij miljoenen mensen oost- en westwaarts moesten trekken, kostte honderdduizenden het leven. Zijn ouders hadden het echter overleefd. Ook hij heeft familie in het buitenland. Zijn broer is arts in Denemarken.

Zelden ben ik iemand tegengekomen die zo overtuigd is van een sobere levensstijl als deze man. Hij heeft een eigen zaak en een vrouw en kind die om luxe zeuren. - Een man moet tevreden zijn met wat hij heeft, zegt hij, zelfcontrole is belangrijk. - Ja maar een beetje luxe is toch wel gemakkelijk, vooral in de keuken. Ach weet je, teveel luxe maakt een vrouw lui, zegt hij en hij meent het echt. Dan moeten ze maar buitenshuis gaan werken als er geen huishoudelijk werk meer is, zeg ik en om het onderwerp te veranderen vraag ik waar hij naar toe gaat. Nu ga ik naar Bangalore om kleding te bestellen voor mijn winkel. Drie maal per jaar ga ik naar Bombay en tussendoor, zoals nu, als ik snel wat nodig heb, naar Bangalore. Waarom koopt u niet eens per jaar alles in? Dat is een domme vraag, maar hij blijft rustig en legt uit dat ook sari's aan mode onderhevig zijn.

De trein is allang gaan rijden, maar het gesprek is zo boeiend dat ik het niet door heb. Er is een reden waarom deze man zo rustig en levenswijs overkomt. Hij heeft een bijna dood ervaring gehad. Ik was heel gezond, maar plotseling werd ik op een nacht onwel. Eerst had ik een droom over geesten in witte gewaden die me mee wilden nemen. Het was een mooie ervaring en ik zweefde naar het raam. En toen? Toen werd ik wakker en ik vroeg me af wat ik aan het doen was. Ik was compleet gevoelloos en tikte mijn vrouw aan, die naast me lag. Die schrok zeker. Ja, want ik kon niets meer. Ze moest me met brandy masseren om me weer tot leven te brengen. Na die ervaring heb ik een half jaar lang hallucinaties gehad. - Door het overmatig insmeren met alcohol, denk ik. Ik kon mijn lichaam zien liggen, vervolgt hij, niets wetend van mijn absurde gedachten. Er stonden altijd mensen omheen. Hoe is het overgegaan? Pas na inschakeling van een dure kruidendokter. Die schreef me een streng dieet voor zonder sigaretten, seks en spanning. Hij kijkt peinzend naar buiten. We zijn al in Coimbatore, zegt hij en ik begin mijn spullen te pakken.

In Coimbatore nemen we afscheid en ga ik naar het hotel AP Lodge. Ik neem een douche om de vermoeidheid af te spoelen. Voor ik ga slapen besluit ik om maar wat te gaan eten, want het is inmiddels al negen uur geweest. In een Punjabi restaurant neem ik palak paneer en een aardappel-vruchtencurry. Veel te veel, maar ik kan ten minste kiezen wat ik opeet. Een beetje kieskeurigheid kan geen kwaad in een straat waar je de ratten onder de stoeprand ziet rennen.

's Ochtends word ik om 6.40 uur gewekt door de receptie. Please sir, wake up sir. But last night I told you I would depart only at eleven, mompel ik met een slaperige kop door de telefoon. Please sir, klinkt het aan de andere kant van de lijn, but in the afternoon it is too hot for traveling. But I love hot busses, werp ik tegen en gooi de hoorn weer op de haak. Maar een half uur later staat er al weer een room boy met een hele vage boodschap op de deur te kloppen. Het is duidelijk. Ik moet eruit.

Voor het ontbijt kan ik kiezen uit een complete warme maaltijd of een heel zoet puddinkje. Ik kies het nagerecht, maar na drie happen en met de ratten nog in gedachte besluit ik het onderweg te proberen. De riksja zet me keurig af bij de bus naar Madurai, mijn volgende bestemming.

In de bus denk ik na over het soort chauffeur en het gedrag bij het inhalen. Er zijn chauffeurs die relatief weinig risico nemen. Bij een bocht naar links, een heuvel en een brommer wordt er gewacht tot de kust vrij is. Het andere type chauffeur doet dat niet. Hij blijft zo lang mogelijk op de rechterweghelft rijden en toetert om de drie seconden. Brommers en ander inferieur verkeer moeten maar zien dat ze op tijd in de berm zijn. Inhaalmanoeuvres worden nauwkeurig afgemeten en aangepast met stevig remmen. Gelukkig zijn de snelheden iets lager dan in Nederland en is bijsturen dan nog mogelijk.

Helaas zijn de meeste chauffeurs in India van het type b. Het is vooral vervelend als twee type b drivers elkaar tegemoet komen. Je krijgt dan de voor een rationeel denkende westerling onoplosbaar lijkende situatie van vier bussen of vrachtwagens die met een fikse vaart op elkaar af stormen. Dit vermindert het aantal uitwijkmogelijkheden namelijk aanzienlijk. Het eindigt meestal met één vrachtwagen in de berm, twee totaal tot stilstaand gekomen bussen en de vierde die er met een noodvaart tussendoor rijdt.

Andere noodstops worden vooral door ossekarren veroorzaakt, die ook tot het lagere verkeer worden gerekend, maar iets minder wendbaar zijn dan bijvoorbeeld brommers. Ook vrachtwagens met een dronken chauffeur zijn niet makkelijk te passeren. Bij overmatig alcoholgebruik is het immers prettiger om op het midden van de weg te rijden. De bus toetert dan net zo lang tot het doordringt in de hersenen van de dronkeman dat iets achter hem er wel eens langs zou willen. Toch leidt het toeteren niet tot irritaties. Achterop de truck staat immers in alle gevallen, 'please horn'. Het zonder signaal passeren is dan ook zeer af te raden. Toeteren heeft zijn goede kanten. Het voorkomt dat mensen in hun toch niet aanwezige spiegels gaan kijken en de situatie voor hen uit het oog verliezen.

In de bus praat ik met een dorpschef en iemand die in een lokale bank werkt. Het is verbazingwekkend hoeveel zij van Nederland weten. Ze kennen Amsterdam en weten dat een deel van het land onder de zeespiegel ligt. Ze gaan er snel uit en ik kijk maar weer wat uit het raam. Het uitzicht stelt niet veel voor. De dorre bruine vlakte wordt afgewisseld met wat karige palmbomen. Er is weinig landbouw en hier en daar loopt een kudde magere geiten. Het wordt warm in de bus. Ik ben blij dat de receptie me vanmorgen uit bed heeft gehaald.




Naar Hoofdstuk 7