Home. Work. Stories. Films. Art. Heaven. Contact.

Hoofdstuk 8 Watervallen en back waters

's Ochtends sta ik om half zes op om de lange reis naar Quilon te maken. Het is om half zes al mogelijk om ontbijt te bestellen. In veel hotels is het alleen mogelijk om masala dosa, een soort snack met groente of idli, een rijstebergje met currysaus te krijgen. Maar hier is zelfs brood en ik werk de zwartgeroosterde sneetjes op mijn gemak op het nog rustige terras naar binnen.

De bus naar Shencotta staat klaar om weg te rijden als ik op het busstation arriveer. Hij zit al na een paar haltes bomvol, maar het is gelukkig nog koel. Op het gangpad is het een gedrang van jewelste. Voorin en achterin hangen mensen half uit de bus. Ik zit aan het gangpad, maar weet nog steeds niet of dat de prettigste plaats in een bus is. Er is meer beenruimte, maar er is net als nu meestal een paal waar je tegenaan geklemd zit als er drie mensen op het stalen bankje zitten. Verder krijg je ellebogen, tassen en smerige kleding in je gezicht. Aan het raam is het uitzicht vaak adembenemend, maar hetzelfde geldt voor de hoeveelheid uitlaatgassen die je te verwerken krijgt. Dit gaat zelfs zo ver dat er 's avonds een grijze smurrie uit je neus komt.

Na bijna vijf uur rijden bereiken we Courtallam, een plaatsje dat vijf kilometer van Shencottah is gelegen. De bus stopt hier en is niet van plan om verder te gaan. Aan de overkant staat een bus klaar, die echter niet naar Shencottah gaat, maar naar de vijf watervallen waar Courtallam bekend om is. Ik aarzel even, het is al laat en ik ben pas halfweg, maar de nieuwsgierigheid overwint en ik spring met mijn bagage in de bus. Tien minuten later staan we bij de attractie.

Ik loop over het kleine plein, waar een stuk of tien andere bussen staan geparkeerd. Rond het plein bevinden zich een paar houten souvenir- en frisdrankwinkeltjes. Er lopen veel mensen af en aan en ik loop de massa achterna.

De vijf watervallen zijn maar klein, maar wat een spektakel speelt zich er af. Honderden mensen staan halfnaakt onder het water. Het is een enorm geduw, getrek en gespartel. De bruine glimmende lijven en de hitte maken dat ik er zelf zin in krijg. Maar met twee tassen en een kostbaarhedenzakje om mijn nek is dat toch lastig. Ik loop naar de rand van het water en krijg veel bekijks. Toch is er van opdringerigheid geen sprake. Best leuk dat ik op dit moment de enige blanke toerist ben.

Binnen een half uur ben ik weer terug op het busstation, een hoogst efficiënt uitstapje. De bus naar Shencottah staat inmiddels klaar en het is een rustig tochtje. Een kwartier later kan ik zo overstappen op de bus naar Quilon. Maar ik heb nog niets gegeten en de bus zit bomvol. Ik twijfel, kijk om me heen, maar er is in de verste verte geen restaurant te zien. Bovendien is me net verteld dat de volgende bus naar Quilon pas over een paar uur gaat.

Uiteindelijk probeer ik de bus maar in te gaan. Dat valt niet mee en ik hang er half buiten met mijn twee tassen. Gelukkig is er dan weer die fantastische Indiase flexibiliteit. Onverwacht pakt een man mijn tassen en gooit ze door het voorraam naar binnen. Even krijg ik het spaans benauwd, want ik zie de bus al wegrijden met mijn spullen erin. Ik moet echter over de stoel van de chauffeur klimmen en voorin de bus in een soort bagagerek plaatsnemen. Ik pomp mijn kussentje op en ga op een grote koffer zitten. Ha, dit is nog aangenamer dan de stalen bankjes. Vermoeid, maar tevreden laat ik een foto maken.

De tevredenheid verdwijnt snel als we eenmaal rijden. We moeten een gebergte over en nemen een groot aantal haarspeldbochten. Dat valt niet mee op een koffer met een type b chauffeur achter het stuur. Bovendien zit ik vlak achter de voorruit, dus bij een botsing is het echt afgelopen. Een uur lang sta ik doodsangsten uit. We rijden langs diepe afgronden. Beneden stromen de riviertjes, waar ik in gedachten onze bus al gekanteld zie liggen. Dan is de bus wat leger en kan ik eindelijk op een bankje gaan zitten.

Van rust is nog geen sprake, want de lokale dorpsidioot komt binnen en neemt mijn plaats tussen de koffers over. Hij verdeelt zijn aandacht tussen het regelen van het verkeer en die ene blanke die in de bus zit. De man is zo vies dat ik voel dat ik bij iedere aanraking een vreselijke tropische huidziekte oploop. Als hij het verkeer gaat regelen is het zo mogelijk nog erger, omdat hij hiermee de aandacht van de chauffeur afleidt. Van een verkeersongeval ga ik immers sneller dood dan van een huidziekte. Vreemd genoeg heeft de man veel geld bij zich en af en toe stopt hij wat rupies in de vestzak van de chauffeur.

Meer dood dan levend kom ik eindelijk in Quilon aan. De busreis heeft bijna negen uur geduurd, maar ik ben dan ook terug aan de westkust van India. Net als Bombay ligt de deelstaat Kerala aan de Arabische Zee, maar dan een stuk zuidelijker. Kerala is een kleine vruchtbare groene strook land die bekend is om de talloze palmbomen. De naam Kerala komt dan ook van Kera, dat kokosnoot betekent. De Ghats bergen, waar ik net met de bus overheen ben gereden, hebben het staatje beschermd tegen invallen uit Tamil Nadu en de rest van India. Tegelijkertijd heeft het toch een rijke geschiedenis voor wat betreft het contact met de rest van de wereld. In de stad Cochin is er een Joodse gemeenschap die afstamt van joden die al 2000 jaar geleden Palestina zijn ontvlucht. Er zijn dus al langer Christenen in India dan in Nederland. De Portugezen die 500 jaar geleden onder leiding van Vasco da Gama de westkust van India ontdekten waren zeer verrast toen zij er Christenen aantroffen. Maar van de paus hadden deze gelovigen natuurlijk nog nooit gehoord.

Naast de Joodse invasie, waren er ook vroege contacten met de Phoeniciërs, Molukken, Arabieren en Chinezen. Vissers gebruiken nog steeds de ingenieuze netten die de Chinezen hebben meegebracht. Via een hijsmechanisme, dat bestaat uit een aantal houten palen, worden de netten naar boven gehesen.

Ik ga op zoek naar een hotel, maar het eerste logement dat ik probeer zit vol. Het tweede hotel heeft wel plaats en heet Sea Bee. De man achter de receptie verkoopt me gelijk een kaartje voor de bootreis, ofwel backwater trip, die ik morgen wil maken. Het kaartje kost 100 rupies, hetgeen het dubbele is van de prijs voor de kamer.

Hij roept de roomboy om mij de kamer te laten zien. De jongen komt niet opdagen en we lopen samen naar boven. Daar blijkt de reden. De kamerjongen ligt languit op mijn bed te slapen. Na een pak slaag waarbij ik buiten op de gang moet wachten, wordt het laken van het bed afgetrokken en verschijnt het smerigste matras dat ik in mijn leven heb gezien. Grote gaten en vlekken ontsieren het ding, maar ik krijg in ieder geval schone lakens. Ik heb nu geen zin meer om een ander hotel te gaan zoeken.

's Avonds eet ik in het restaurant van het eerste hotel, omdat ik de hygiëne van onze eigen keuken niet meer vertrouw. Buiten regent het af en toe. Het is regentijd in Kerala en alles maakt een grauwe indruk. Ik verveel me. Na het zonovergoten warme chaotische Madurai valt het koele rustige Quilon tegen. Ik loop terug naar mijn hotel en besluit een biertje te drinken in de bar. Ik praat wat met een groentehandelaar en een fruithandelaar en ga dan naar bed.

Kwart over tien 's ochtends begint mijn backwatertrip. Het vaartuig ligt al klaar en ik ga als eerste aan boord. De boot bestaat uit twee delen. In het voorste lage gedeelte zit de schipper en bevindt zich de motor. Het achterste gedeelte is de kajuit voor de passagiers. Aan weerszijden staan houten banken en er zijn acht raampjes die bij regen kunnen worden gesloten. Achterin is een klein toilet. Tussen het voor- en achtergedeelte bevindt zich een open ruimte van waaruit ik op het één meter hoger liggende dak kan klimmen. Er zijn matrasjes aan boord om op de kajuit te liggen.

Kwart voor elf komen, toevallig, de twee Nederlanders aan boord die ik bij de lichtshow in Madurai heb ontmoet. Ze vertellen dat er ook een veel goedkopere overheidsboot is en dat dit de dure particuliere versie is. Toch heb ik geen spijt, want er komen verder geen mensen aan boord en we zullen de komende negen uur het rijk voor ons alleen hebben. Het is alleen vreemd om weer Nederlands te praten.

Na het voorstellen en de herinneringen aan het paleis in Madurai, vraag ik waar ze vandaan komen. Saudi-Arabië, antwoordt Peter, we zitten daar voor een bouwonderneming in een soort dorp voor buitenlanders. Elke werkt voor de Nederlandse ambassade in Riad. Hoe is het leven daar? Voor Peter is het goed, hij werkt, maar voor mij is het erg moeilijk met al die regels, zegt Elke. Als vrouw mag je bijvoorbeeld niet eens auto rijden. En dan is het voor westerlingen nog redelijk makkelijk, vult Peter aan, buitenlandse werknemers uit India, Thailand en de Filippijnen hebben het moeilijker. Als ze christelijk zijn moeten ze hun getatoeëerde kruisjes laten weghalen. Anders krijgen ze stokslagen. - Ik weet dat Saudi-Arabië strenge regels heeft, ook voor buitenlanders, maar dat het zo erg is wist ik niet. Ja, maar toch zijn de regels soms flexibel. Alcohol is ten strengste verboden, maar bier is perfect uit Duits alcoholvrij bier te maken. Geen haan die daar naar kraait.

Dan steekt de boot van wal en richten we onze aandacht op de omgeving. Backwaters zijn stukken water die direct voor de kustlijn liggen. Vanuit de zee gezien is er dus eerst een stuk land, dan water en vervolgens het echte land. Op een paar stukken is dan ook de zee te zien. Het stuk tussen Quilon en Allepey is ongeveer 90 kilometer, maar de lagunen gaan nog veel verder door, in noordelijke richting naar Cochin en in zuidelijke richting naar Trivandrum.

De backwaters zijn veel afwisselender dan ik me uit verhalen van andere reizigers heb voorgesteld. Ook in de reisgids staat dat het stuk van Quilon naar Allepey erg lang is. Maar met drie personen op een boot en een heerlijke temperatuur is het uitstekend uit te houden. Na al het regelen van de afgelopen week is het niets doen heerlijk, de afwezigheid van zeurende mensen opvallend en het zachte gestamp van de boot in plaats van het gebulder van de bus rustgevend.

De gids zit er al een tijd verveeld bij. Hij is 19 jaar en moet iedere keer dit lange stuk meevaren. Met zo weinig toeristen is er voor hem weinig te halen. Voor ons zijn de wijde wateren, smalle kanalen, het scala aan bootjes, de chinese visnetten en de kinderen langs de kant bij hun kleine rieten hutjes zo boeiend, dat we geen gids nodig hebben. Lange smalle vissersboten met twee buitenboordmotoren varen ons voorbij. Overal staan palmen. Korte gedrongen palmen met forse bladeren of hele lange palmen met een kleine kruin. In de palmbomen zijn regelmatig valken te zien. Er staan buffels en wassende vrouwen in het water. Af en toe zwemmen er grote groepen eenden. De dieren worden gehouden voor de eieren.

Tijdens de tocht stoppen we drie keer. De eerste keer om te lunchen in een dorpje. De palmbladen en het eten zien er zo weinig uitnodigend uit dat we van de lunch afzien. De tweede stop is bij een touwmakerij (coir handicraft). Uit een soort stro wordt met twee tegenover elkaar staande spinnewielen touw gemaakt. We krijgen er een verse kokosnoot waarin een gat wordt geboord van waaruit we de melk kunnen drinken. Vervolgens wordt de kokosnoot in stukken gehakt en kan het vruchtvlees worden opgegeten. De derde en laatste stop, niet ver van Allepey, is bij de langste slangeboot van de wereld. Er kunnen 125 roeiers in en de boot dient vooral voor deelname aan de jaarlijkse 'snakeboatraces' in Allepey. De roeiers van deze boot hebben de laatste drie keer dan ook gewonnen.

Een uur voor Allepey wordt het schemerig. Het geeft een hele bijzondere sfeer om de schimmige bootjes langs te zien schieten en de mensen aan het water zich klaar te zien maken voor de nacht. Uiteindelijk komen we, nog nagloeiend van de zon, bij het busstation aan. Het Nederlandse stel wil een hotel in Allepey zoeken en ik besluit om nog door te gaan naar Cochin. We nemen snel afscheid.

Na wat onderhandelen kom ik uiteindelijk in een gedeelde taxi terecht. Ik word na een spannende, maar niet levensbedreigende tocht bij het zuidelijke station van Cochin-Ernakulum neergezet, waar ik het fantastische Paulson Park Hotel vindt. Het is schoon, rustig en de service is goed. En dat voor minder dan vijf gulden per nacht. Na een kip met knoflook in het uitgestorven restaurant kruip ik moe en voldaan tussen de lakens. Dit is het eerste hotel waar dat mogelijk is. Meestal is er alleen een onderlaken. Hoe zouden mijn landgenoten die hier meer dan 300 jaar geleden aankwamen de nacht door hebben gebracht, denk ik nog voor ik in slaap val.



Naar Hoofdstuk 9