Home. Work. Stories. Films. Art. Heaven. Contact.

Hoofdstuk 9 Kathakali dans in het Nederlandse paleis

Voor de eerste keer deze reis neem ik een georganiseerde tour om de stad bekijken. Dat is makkelijker, omdat de stad nogal gecompliceerd in elkaar zit en bestaat uit drie gedeelten. Het eerste gedeelte is een schiereiland in zee, waarop alle oude monumenten staan die ooit in Deense, Portugese, Nederlandse en Britse handen zijn geweest. Het tweede gedeelte is een kunstmatig eiland met veel groen en het vliegveld. Het derde gedeelte is op het vasteland en heet Ernakulum. Hier zijn het station, de meeste hotels en de meeste inwoners. Tussen de drie delen van de stad zijn bruggen en varen om de 20 minuten veerponten.

De boot steekt van wal bij de afvaart tegenover het Sealand hotel. Hier staan moderne gebouwen, die eerder aan Rotterdam dan aan India doen denken. Net als in Rotterdam hebben de architecten vrij spel. Gebouwen kunnen van grote afstand vanaf het water en de andere oever worden gezien. De rest van het uitzicht is dat van een havenstad. Dokken, kranen en zeeschepen. Bij de doorgang naar zee staan Chinese vissersnetten. Naast de netten staan kraampjes, waar de vis direct kan worden genuttigd. Het is twijfelachtig of het allemaal wel zo gezond is, want de zeeschepen varen op korte afstand langs de netten.

De haventocht wordt af en toe kort onderbroken voor een bezoek aan de monumenten die Cochin rijk is. De stad werd in 1500 door de Portugezen als eerste Europese nederzetting in India gesticht. Door de handel in peper breidde de stad zich snel uit. De Hollanders zagen hier ook brood in en peperden in 1633 de Portugezen in. Tenslotte moesten de Nederlanders in 1795 de stad aan de Britten afstaan, die weer wat voor de Hollanders in het zout hadden.

Het eerste gebouw dat we bezoeken is de Joodse Synagoge, die in 1568 is gebouwd. Het is een klein gebouw, met blauwe handbeschilderde vloertegels uit China, meegenomen uit Kanton door een Joodse handelaar. Aan het plafond hangen glitterende glazen lampen uit België.

Het tweede gebouw is het Mattancherry, het Nederlandse paleis, dat door de Portugezen in 1555 werd gebouwd als geschenk voor de Raja van Cochin, maar dat later ingrijpend werd verbouwd door de Hollanders. Van buiten is het gebouw sober met geel gepleisterde muren. Middenin het gebouw bevindt zich de kroningszaal, waar de raja's van Cochin werden gekroond. In de aangrenzende zalen zijn muurschilderingen uit het klassieke Indiase dichtwerk Ramayana. De afbeeldingen zijn soms pikant, maar niet allemaal in even goede staat. Toch is het één van de mooiste en uitgebreidste 'murals' van India. De plafonds van massief donker houtsnijwerk passen hier goed bij. In de zalen zijn oude landkaarten te zien, die vooral door de Nederlanders van het gebied zijn gemaakt. In het rijksarchief te Den Haag zijn nog steeds veel kaarten opgeslagen. Ik neem me voor er eens een keer te kijken.

Tenslotte bezoeken we de St. Franciscus kerk, de oudste katholieke kerk in India. Later is de kerk door de Nederlanders protestants gemaakt. Het is een wat kaal gebouw met een blauw dak. Binnen vallen vooral de lappen op die dienst doen als verkoeler en buiten de kerk via touwen in beweging worden gebracht.

Veel te snel naar mijn zin moeten we weer naar de boot terug. Dat is het grootste bezwaar van georganiseerde excursies. Vooral in India, het land waar tijd een minder zware rol speelt, worden excursies vreemd genoeg in een razend tempo afgewerkt. Ik ben vaak gewaarschuwd tegen dit soort trips die minstens 12 uur duren en talloze attracties afraffelen. Te vaak te veel in te weinig tijd.

De man zit in hurkzit op een rood tapijt op het podium. Hij is bezig met het aanbrengen van schmink. Er brandt een koperen olielamp en een schijnwerper verlicht het toneel. Het kleine theater bestaat uit een woonhuis met aangebouwde schuur. Er is plaats voor 45 mensen. Het dak is van bamboe en op de vloer ligt zand. Het podium is met paarse gordijnen aan de achterkant en zijkanten wat knusser gemaakt. Voor de rest ziet het er rommelig uit.

Ik zit in afwachting van de beroemde Kathakali dansen om me heen te kijken. Ik heb 's middags al een kaartje gehaald voor het spektakel, maar het zit niet eens vol. De show loopt dan ook al meer dan 25 jaar. Dit Indiase dansdrama heeft een geschiedenis van ongeveer 500 jaar en wordt nog steeds uitgevoerd op dorpspleinen en in tempels. Er zijn ruim honderd verschillende uitvoeringen, gebaseerd op verhalen uit de Ramayana en Mahabharata. Ze duren meestal tot diep in de nacht, maar gelukkig zijn de uitvoeringen in Ernakulum meer op toeristen gericht en beperkt tot anderhalf uur. Keta Kali betekent 'het verhaal speelt' en zo zal het gaan.

De man op het podium heeft hoopjes poeder voor zich liggen die hij aanmaakt met water en aanbrengt met een staafje. Hij heeft een zwarte zorroband rond zijn ogen geschminkt. Hierboven is het voorhoofd geel gemaakt met een rood motief. Zijn mond is vuurrood met een lichtgroene streep. Dan komt een tweede man binnen. Hij maakt zijn gezicht oranje en zijn wenkbrauwen en oogwimpers zwart. Ook hij maakt zijn lippen vuurrood en brengt gele stippen aan op zijn gezicht. Langs zijn wimpers maakt hij lange zwarte strepen. Inmiddels is de eerste, wat dikkere man gaan liggen en krijgt een soort witte modder om zijn gezicht. In de smurrie worden papieren kleppen geplaatst.

Na een tijdje make-up kijken komt iemand uitleggen wat er letterlijk en figuurlijk in de schmink zit. Alle kleuren zijn van natuurlijke materialen gemaakt; geel van zwavel en rood van het vergif verdelgende calcium poeder. Zwart wordt van gebrande kokosnootolie gemaakt, olie die ook wordt gebruikt voor het aanlengen van de overige kleuren. Het zwart wordt vooral gebruikt voor het gebied rond de ogen en kan zelfs zonder problemen in de ogen worden gesmeerd.

Net als in het Hindoeïsme, waar alles mooier wordt gemaakt door afbeeldingen en verhalen van de goden, wordt ook het opmaken bij de dansers overdreven. De hoed die één van de dansers inmiddels opheeft en die bestaat uit drie delen, vertegenwoordigt de drieëenheid van de goden. Brahma voor het begin, Vishnu voor het bestaan en Shiva voor het einde.

Na afloop van de toelichting over de schmink krijgen we een uitleg over het Hindoeïsme. Dr Davan houdt het simpel. Het Hindoeïsme is een artistieke godsdienst, begint hij. Ofschoon de religie uitgaat van één god, kan iedereen zijn of haar ideeën spuien. En zo is een eindeloze variatie aan sub-goden en verschijningsvormen ontstaan. Er zijn veel mythen, maar boven de verhalen staat de filosofie. De meeste Hindoes bereiken die staat niet, maar dat geeft niet. In het begin werden de natuurlijke elementen als zon en water aanbeden en dat gebeurt nu, bijvoorbeeld bij de Ganges, nog steeds. Ieder gebed begint met water, omdat water reinigt. Dr Davan is overtuigd van zijn verhaal. Oh mythology is so beautiful, zegt hij af en toe dromerig. Hij vertelt verder over de betekenis van vuur en lotusbloemen. Vuur geeft licht dat de duisternis en onwetendheid verdrijft. De Lotusbloem speelt een grote rol, omdat het in de modder ontspringt. Zo kan in figuurlijke zin iedereen die in de modder zit toch bloeien.

Dan begint hij de bewegingen van de dansers uit te leggen. Woorden als bloem, boom, rivier, vis, olifant, cobra en lotusbloem worden op verschillende manieren uitgebeeld. Emoties worden veelal met behulp van gebaren en gezichtsuitdrukkingen weergegeven. E‚n van de dansers wordt er bij gehaald en mag het voordoen.

Het dansen begint. Op het ritme van de tam-tam, gespeeld door een derde man, vechten de cobra en de olifant. De prins kijkt toe. De demon verleidt de prins in een volgende scŠne door zich voor te doen als een mooie jonge vrouw. In de slaapkamer weerstaat de prins echter de charmes van de prinses, waardoor de demon zo buiten zinnen raakt, dat hij zijn oude vorm weer aanneemt. De mime bewegingen die kort er voren zijn uitgelegd zijn wel niet allemaal te volgen en het verhaal ontschiet me ook af en toe, maar de uitleg tussendoor maakt dat de grote lijn duidelijk blijft.

Na het dansen zweef ik weg met het gevoel een halve hindoe te zijn geworden. Ik begrijp immers meer dan de gemiddelde Indiër van de sluier die over de in de kern zo simpele godsdienst hangt. In hotel Sealord wordt ik weer hard teruggebracht naar de werkelijkheid als ik in een soort Oost-Europese nachtclub zit naast drie Engelse pubers die sla, ijs en vlees wegspoelen met overdadig veel bier. Ze zien er nog niet ziek uit, maar dat mag wat mij betreft snel veranderen. Snel eet ik mijn "fish Veronique" op, terwijl ik van mijn zielige eenpersoons tafeltje naar het zich op westerse muziek uitlevende rijke deel van de lokale bevolking kijk. Zo moet heel Zuid-India er over tien jaar uitzien als het toerisme heeft toegeslagen. Jammer eigenlijk.




 

Naar Hoofdstuk 10