Home. Work. Stories. Films. Art. Heaven. Contact.

Hoofdstuk 10 Spinnen van plezier

De volgende ochtend sta ik al weer om zes uur op het station. De treinreis naar Trivandrum voert me weer langs de backwaters, palmbomen en kleine dorpjes. Er valt een forse moessonbui, zodat de meeste luiken en ramen naar beneden gaan. De hele rit lopen jongetjes af en aan met thee. Chai, chai, klinkt het luid door de trein. Om acht uur is er zelfs ontbijt, keurig in folie verpakt.

In Trivandrum besluit ik eerst naar het kantoor van Air India te gaan om mijn retourticket nogmaals te bevestigen. Als ik binnen kom zitten meer dan honderd Indiërs in de zaal voor de balies te wachten. De mensen zitten keurig in rijen plastic kuipstoeltjes, net als op het vliegveld. De wachttijd bedraagt vijf uur en ik schrijf mijn naam in een rommelig schrift. Ik ben nummer 112. Dat duurt me toch te lang voor een bevestiging van een herbevestiging en ik besluit er maar op te vertrouwen dat het in Madurai goed is gegaan.

Op de bus naar Kovalam ontmoet ik, oh toeval, de Sergeant, een oude man die nog in het Britse leger te Birma heeft gediend. Ik ben verrukt, want dit is dezelfde man die in de Survival Kit wordt beschreven. Waarschijnlijk neemt hij deze bus iedere dag om zo zijn gasten te ontmoeten. Ik loop met hem mee door de rijstvelden als we uit de bus zijn gestapt. Hij vertelt dat er nog een jonge Nederlandse vrouw is en dat ik een kamer naast haar krijg.

De kamer is erg primitief, maar redelijk schoon. Het staat in een rij met vijf andere kamers en heeft een rieten dak. In de kamer is alleen een bed met matras en kussen. De badkamer heeft een gat-in-de-grond toilet en een douche met koud water. Er gaapt een groot gat tussen dak en muur, hetgeen niet veel goeds voorspelt voor het ongedierte. Normaliter zou ik dit niet nemen, maar ik ben toch wel nieuwsgierig naar die Nederlandse vrouw en ik hoop toch de meeste tijd aan het strand door te brengen.

Na een korte wandeling over het strand loop ik over smalle paadjes onder de palmbomen en langs een mengelmoes van moderne en oude hotels terug naar mijn kamer. Daar staat de sergeant, die me vertelt dat er net een leuk uitziende tweede Nederlandse vrouw is gearriveerd. Het begint een beetje op een complot te lijken. Er wordt beweert dat Kovalam paradijselijk is, maar dit is overdreven. Hij wijst me de kamer en zegt dat ik haar zo maar eens moet storen.

Na veel te kort aarzelen klop ik op de deur. Een jonge vrolijke blonde vrouw doet open. Ze is net aangekomen uit Calicut dus ze is wat vermoeid. We maken een afspraak om 's avonds samen te gaan eten in een van de talloze restaurantjes die aan het strand zijn gelegen. Het travelling apart together systeem begint me steeds beter te bevallen. Terwijl zij wat gaat rusten koop ik een matje voor aan het strand. Dat is een verplichte aankoop en een soort paspoort voor rust, omdat je anders de rest van je verblijf lastig wordt gevallen door hardnekkige verkopers. Beach mat, beach mat, sir, klinkt het onophoudelijk.

Kovalam is inderdaad paradijselijk mooi. Op het eerste gezicht valt de breedte van het strand wat tegen, maar het is de betrekkelijke rust, de omgeving en de relaxte sfeer die het plaatsje zo bijzonder maken. Er zijn niet veel toeristen, ongeveer honderd schat ik, die genieten van de enorme golven en de twee kleine banaanvormige baaien. Tussen de baaien liggen grote rotspartijen, waarop de golven zich te pletter slaan. Ik loop de rotsen op en kijk naar het geweld van het water. Hier kun je beter niet tussen vallen. Vanaf de rotsen kijk ik naar het smalle strand dat wordt omgeven door talloze palmbomen, waaronder de hotels en restaurantjes zijn gebouwd.

's Avonds heb ik de tweede Nederlandse nog steeds niet gezien. Waarschijnlijk slaapt ze, want haar deur is dicht en heeft geen hangslot van buiten. Maar goed, dan maar met één vrouw uit eten. Samen met Ellen loop ik onder de palmbomen richting strand. We kunnen kiezen voor een verse vismaaltijd aan het tropische strand of een verse vismaaltijd onder de palmbomen, wat meer landinwaarts. Het wordt gebakken inktvis aan het strand en terwijl het langzaam donker wordt genieten we van het eten. Ellen is studente tropische gewasbescherming en heeft zes maanden onderzoek gedaan voor haar scriptie in Calicut. Ze zat daar op een studentenkamer, waar af en toe de ratten doorheen liepen. Na deze maanden was ze daar inmiddels aan gewend geraakt en wilde nog even uitblazen voordat ze weer naar Nederland terug zou keren.

De volgende ochtend ontmoet ik mijn buurvrouw, Carina. Ze blijkt al die tijd te hebben geslapen na de vorige dagen 48 uur in de trein te hebben gezeten. Dat typeert haar gelijk. Ze is lang, blond, niet bijzonder knap, maar heel dynamisch. Ze is alleen op wereldreis en drinkt het water gewoon uit de kraan. We ontbijten samen en gaan naar het strand. Een uurtje later komt ook Ellen aanzakken. Het prettige van dit strand is dat het niet groot is en het dus niet moeilijk is om elkaar te vinden.

De rest van de dag liggen we aan het strand. Het is heerlijk weer, niet te heet, af en toe wat bewolkt en de golven zijn fantastisch. We worden hele stukken meegesleurd in de metershoge golven. Wel moeten we goed uitkijken dat we niet te dicht tegen de rotsen aanzitten. Op een gegeven moment kijken twee mensen niet goed uit en horen de fluitjes van de strandwachters niet. Als ze het eenmaal doorhebben dat de stroming heel krachtig is, kunnen ze niet meer terug. Ze slaan hard tegen de rotsen, maar hebben geluk. Met wat blauwe plekken worden ze door de redders uit het water gevist.

Ofschoon er niet zo veel toeristen zijn, zijn er toch veel souvenirverkopers en fruitvrouwtjes. Ze trekken van badgast naar badgast en blijven door de geringe drukte minstens één minuut staan bij de toerist die hen gelijk resoluut afwijst. E‚n vragende blik aan het begin is echter goed voor nog eens vijf minuten extra zeuren. Om van het aandringen af te zijn laat ik ze af en toe nog maar eens een ananas of mango pellen. Het is een ideale manier om vocht binnen te krijgen, want dat is hier, ondanks de geringe hitte, hard nodig. Met een halve vrucht naast me is het voor de concurrent bovendien duidelijk dat de kans dat ik nog een vrucht koop kleiner is. Wel groot genoeg overigens om het alsnog te vragen.

Roodverbrand loop ik naar mijn hutje. Carina heeft een Indiaas vriendje op de kop getikt en Ellen is al terug. Ik verwijder het hangslot, dat ik zelf had meegenomen, en loop direct door naar de douche. Ik moet nogal nodig naar het toilet, maar als ik de deur van de douche opendoe kan ik mijn ogen niet geloven. Er zit een zwarte harige spin van minstens een halve meter op de achterwand van de kleine ruimte. Ik sta ongeveer twee meter van hem vandaan en dat wil ik graag zo houden. Door mijn verwarde hersens schieten in enkele seconden alle soorten spinnen die ik ooit in mijn jeugd in natuurboeken heb gezien. Eerst kom ik niet verder dan de kleine dodelijke zwarte weduwe uit Zuid-Afrika en de eveneens kleine kruisspin uit Nederland. Ook de grote zwarte spinnen die ik in Nederland wel eens in de badkuip van het ouderlijk huis tegenkwam kunnen wel honderd keer in deze joekel. Een vogelspin, concludeer ik uiteindelijk en ik doe zachtjes de deur van de badkamer dicht.

Dit moet de spin zijn die vogels van achteren bespringt en wel een meter reikwijdte heeft, denk ik. Peinzend kijk ik nog eens naar mijn badslipper die al menig Indiase kakkerlak van 7 centimeter op zijn geweten heeft, maar hier geen rol van betekenis kan vervullen. Ook de deur tussen bad- en slaaphok boezemt maar weinig vertrouwen in. Er zitten kieren van wel vijf centimeter tussen, die wellicht niet geheel spin-proof zijn. Ik zet de Fan op turbostand en spuit wat muggenverdelger uit mijn spuitbus in de badkamer.

Ik laat de natuur voor wat het is en loop enigszins verontwaardigd en met volle darmen naar buiten om hulp te vragen bij de sergeant. Die is in geen velden of wegen te bekennen en ik ga maar terug naar het strand om een kop thee te drinken. De meeste toeristen zijn al weg en het is rustig. Ik raap al mijn moed bij elkaar en besluit om terug te gaan en te kijken of mijn vriend er nog steeds is. Straks is het immers donker.

Buiten staat Carina me al op te wachten. Ik had een enorme spin in mijn kamer, zegt ze witjes, Hij is nu weg, maar ik durf eigenlijk niet naar binnen. Ofschoon deze dame toch gewend is aan Amsterdam, Indiaas water en Indiase mannen, blijkt dit toch ook voor haar teveel van het goede. Oh, die zit nu bij mij, zeg ik zo nonchalant mogelijk, maar ik kan de trilling in mijn stem niet helemaal onderdrukken. Eerst kijken we bij haar, maar er is geen spin te bekennen. Ook uit mijn badkamer is het monster vertrokken. Ik spuit beide badkamers met de muggenspray in en na toiletbezoek en douche gaan we gedrieën naar het strand voor het avondeten.

Het avondeten is lekker en bestaat uit een grote vis. Na de ervaring met de spin laat ik de krab en de kreeft maar voor wat ze zijn. Ons clubje is inmiddels uitgegroeid met de Indiase jongen van de tapijtwinkel van de eerste baai en nog een Nederlands stel. De branding, de donkere zee, de zwoele avondlucht en het absurde gezelschap maken dat ik alles weer vergeet en geniet van dit tropische avontuur.

's Nachts lopen we terug naar de galerij. Uit iedere palmboom dreigt een enorme spin te vallen, maar we bereiken zonder ongelukken de hut. In mijn slaaphok staat de Fan te zoemen en is geen spin te bekennen. Ik doe voorzichtig de deur van de badkamer open, doe het licht aan en steek mijn hoofd om de deurpost. De achterste wand is leeg. Ook de rechterwand is op een wegschietende kakkerlak na maagdelijk. Dan kijk ik omhoog, de nok van het rieten dak zit vol spinrag, maar er zit niets. Als ik mijn hoofd nog wat verder doordraai zie ik in een ooghoek iets bewegen. Vlak boven mijn hoofd, net boven de deur, zitten acht zwarte harige poten te wachten op een vreemde Nederlandse vogel. Ik trek mijn hoofd schichtig weg en doe de deur dicht. Slik. Met slippers, souvenirs, boeken, t-shirts en het strandmatje stop ik alle kieren van de deur dicht. Hij zit bij mij hoor, jij hoeft niet bang te zijn, roep ik nog naar mijn buurvrouw. Ik kan nu helemaal wel vergeten dat ze vannacht bij me zal kruipen.

Uitgeput van de dag op het strand en vertrouwend op de constructie en in het uiterste geval mijn klamboe, val ik in slaap. Tandenpoetsen is immers niet nodig als je de hele dag fruit hebt gegeten.

De volgende ochtend is de demon van de vorige nacht met de zuiderzon vertrokken. Ik ben al om zeven uur op en mijn vliegtuig gaat pas laat in de middag. Ik besluit een eind te gaan wandelen. Door een klein dorpje loop ik in de richting van de vuurtoren. Frisse velden en rotspartijen wisselen elkaar af als kustlijn. Dan is er ineens weer een groot strand, waar talloze vissersboten liggen of net aankomen. De vloedlijn ligt vol met menselijke drollen en het is een kunst om ze te ontwijken. Toevallig kom ik Carina tegen die na haar lange slaappartij van eergisteren ook vroeg wakker is. Samen bewonderen we de vele soorten vis die op het strand zijn uitgestald. Het is een drukte van jewelste, want het strand dient ook als markt. We lopen terug door de groene rijstvelden en besluiten met een ontbijt op een terras op tien meter van de grote golven.

Dan is het echt tijd om weg te gaan. Ik pak mijn spullen en neem afscheid van Carina, met wie ik door de spin zo'n hechte band heb gekregen. Ellen is nergens te bekennen, maar dat maakt niet uit. Reiscontacten in dit land zijn intens, maar tegelijkertijd heel vluchtig. Ik neem een riksjarijder, die me voor een paar gulden bij de luchthaven zal afzetten. Terug naar Bombay.





Naar Hoofdstuk 11